Een tijdje terug deed ik de deur open voor een man die voorstelde onze haag te scheren. Onze liguster stond namelijk nogal weelderig, en dat al een paar weken. Hij moet gedacht hebben dat we hulp nodig hadden. ‘Nee, dank je’ zei ik hem. ‘We laten die expres zo. We scheren die wel na de bloei, als de insecten hun buikje al vol hebben,’ glimlachte ik hem toe. Hij keek me enigszins verwilderd aan en herhaalde toen zijn vraag. Blijkbaar was het not done, zo’n fluffy haag.
Onze tuin valt dan ook wel op, tussen die van onze buren. Onze grasmat is een mengeling van gras, mos, vijfvingerkruid, rolklaver en ander moois. Tijdens het maaien, rijdt mijn man netjes rond de boterbloemen, weegbree en Sint-Jacobskruiskruid heen. Als ik vragend naar de overgebleven plantjes wijs, haalt hij zijn schouders op en antwoordt ie: ‘Tja, ik kon die kleine Sint-Jacobsrupsjes toch niet omver rijden?’. Achter in de tuin ligt een takkenhoop, in de voortuin maken houtwormen komaf met een oude boomstam en het gazon zoemt van de insecten.
Heerlijk, die tuin van ons. Volgens ons dan toch. De buren denken er mogelijks anders over, want we worden omringd door netjes gekortwiekte grasvelden en voortuinen bezaaid met kiezels rond die ene obligate pot buxus. Wat verderop plaatste een gezin een betonnen schutting rond hun perceel. Het ding is niet geheel naar mijn persoonlijke smaak, maar waar mijn hart pas echt van krimpt is dat de betonplaten tot diep in de grond ingewerkt zijn. Egels maken er geen kans op passage, en het is niet de enige tuin die de kleine zoogdiertjes de straat op drijft. Ook elders staan muurtjes, rasters en schuttingen waar zelfs een kat zijn poot niet onder krijgt. Nochtans heeft onze West-Europese egel hoge nood aan doorgangen tussen tuinen. Vorig jaar hopte het beestje namelijk van ‘least concern’ naar ‘near threatened’ op de rode lijst van het IUCN. Hij kan dus wel wat hulp gebruiken, bijvoorbeeld in de vorm van egelpoortjes in omheiningen. Bovendien zijn de beesten verzot op slakken. Reden te meer om ze niet uit je tuin te weren.
Hoewel we intussen langzaam wennen aan wat wildere bermen en gefaseerd maaibeheer in publieke parken, zijn onze tuinen vaak nog altijd bakens van menselijke controle. Gemillimeterd en geverticuteerd gras, automatische sproeisystemen, netjes in vorm geknipte hagen, regelmatig gesnoeide bomen, geharkt blad. Als je weet dat maar liefst twaalf procent van de totale oppervlakte van Vlaanderen uit tuinen bestaat, besef je echter al gauw welke kansen hier liggen voor biodiversiteit. Een wilde(re) tuin is een toevluchtsoord voor bestuivers, biedt habitat aan vogels en kan functioneren als ecologische corridor tussen natuurgebieden. Toch zijn ze verre van de norm.

Annie Spratt, Unsplash
Net die norm moeten we aanpakken. Dat geeft ook Tilburg Universiteit aan, na hun ervaringen met het crowdsourcing project ‘De Wilde Tuin’ (in samenwerking met NRC Handelsblad). Zij merkten dat veel mensen aarzelen om wilder te tuinieren om hun buren niet af te schrikken. De manier waarop wij onze tuinen inrichten en onderhouden zijn mede het resultaat van groepsgedrag. Ga je tegen de norm in, dan plaats je jezelf buiten de groep. Het is daarom des te belangrijker om met elkaar in gesprek te gaan en toelichting te geven waarom je voor die wilde hoekjes kiest. Zo kan de sociale norm langzaam veranderen - en de gemeente kan daarbij een handje helpen.
Zich als gemeente rechtstreeks gaan moeien in iemands privé tuin is natuurlijk geen sinecure. Wij, Vlamingen, houden niet van overheidsbemoeienis. Laat ons dat maar grif toegeven. Dat er duidelijke reglementering nodig is rond pesticidengebruik staat als een paal boven water. En dat we in Vlaanderen harder moeten optreden op vlak van waterinfiltratie en -verbruik ook. Maar hoe ecologisch iemand zijn tuin moet inrichten? Dat valt moeilijk in besluiten te gieten. Het komt er dus op aan om mensen te informeren, motiveren, begeleiden.
Gemeenten met een Tuinrangerteam (een initiatief van ANB en de Vlaamse overheid) zijn alvast op de goede weg. Tuinrangers gaan op privé verzoek op safari door de tuin. Ze zoeken niet alleen naar het aanwezige leven maar speuren ook naar gemiste kansen om zo het biodiversiteitspotentieel van de tuin ten volle te benutten. Dat kan al met erg laagdrempelige ingrepen zoals kleine waterpartijen en -schalen voor insecten, een klein stukje gazon inzaaien met bloemenpracht of nestkastjes ophangen. Een fijn initiatief waardoor intussen in 60 gemeenten al 11.000 tuinen geadviseerd en geïnspireerd werden.
Hoe kan dat aantal nog verhogen? Om te beginnen: normaliseer wilde tuinen. Kies bij het selecteren van tuinfoto’s voor websites of folders bewust voor de wat wildere exemplaren in plaats van de strakke gazons. Organiseer, in samenwerking met de bewoners, meteen ook kijkdagen in die wildere stadstuinen en licht daar de vele voordelen toe. Publiceer informatieve folders over de meerwaarde van een wilde tuin en geef concrete tips hoe je dat al op een laagdrempelige manier kunt toepassen. Moedig onthardingswerken of het plaatsen van een wadi aan met een subsidie. Ken jaarlijks een ‘Prijs voor de Wildste Tuin’ toe en zet die tuin volop in de kijker in je stadsmagazine of op je gemeentelijke sociale media. Laat die Wildste Tuin een jaar lang een voortrekkersrol spelen in andere evenementen. Verdeel bordjes onder je inwoners met teksten als “Hier is de natuur de baas!” zoals de BLUE Campaign in het Verenigd Koninkrijk dat doet. Zij verdelen blauwe hartjes die mensen in hun voortuin kunnen zetten om aan te geven dat zij (een stukje van) hun tuin bewust laten verwilderen. Het motto van de organisatie? “Rewilding Britain, garden by garden”.
Laat ons dat ook hier doen: tuin per tuin Vlaanderen wat wilder maken. De egels zullen je dankbaar zijn. De slakken misschien wat minder. Win-win, me dunkt.
Deze column over wilde tuinen is verschenen in het derde nummer van 2025 van Groencontact, het vakblad van de Vereniging voor Openbaar Groen (VVOG).